ESSAY VAN WILLEM ELIAS
Lieven Debrabandere,
een eigenzinnige ontmoeting tussen mens en steen.
Vernieuwers die aanleiding gaven tot een ‘stijl’-verandering, naamgegeven via een ‘isme’, worden tot de vermaardste kunstenaars gerekend. Terecht. Lieven Debrabandere koestert ze. Uit het niets kunnen creëren is een theologische mythe. Experiment dat leidt tot iets dat niet bestaat, hoe moeilijk ook, heeft iets gemakkelijks. Het ei van Columbus is in de buurt gelegd.
Wat te doen als “Schoonheid” _ ja met een hoofdletter_ als waarde vervangen is door resultaten van het ‘nieuwe’, dat ondertussen al geen minuscuul statuut meer heeft? Ik spreek graag over een verschil tussen ‘systeem-veranderaar’ en ‘individuele vernieuwer’. Wie is de belangrijkste kunstenaar: Marcel Duchamp of Jeff Koons?
In de geometrische kunst wordt dit probleem op de spits gedreven. De individuele vernieuwing vloeit reeds deels uit de subjectieve kunsten. De expressie van de specifieke eigenheid van een creatief mens is per definitie idiosyncratisch. Het lyrische heeft sowieso zijn eigenheid. Wat met de objectieve kunsten? De formalistische kunst stelt dat een kunstenaar slechts een boeiende relatie tussen tot geometrie te herleiden vormen zichtbaar moet maken, eventueel aangevuld met kleurverhoudingen en mogelijks met aandacht voor materie, het materiaal. De ene steen is de andere niet, weten beeldhouwers ons te vertellen, terwijl ze hun medium strelen. Het ik dat zijn ‘ikkigheid’ niet mag tonen, maar als subject wil (h)erkend worden, dat is een ander paar mouwen. Het is naar dit evenwicht dat beeldhouwers als Lieven Debrabandere zoeken. Het leverde ondertussen een boeiend oeuvre op.
In de schilderkunst worden de eerste geometrisch abstracte werken toegeschreven aan Kandinsky, Malevitsj en Mondriaan. Hoewel daar onenigheid over bestaat, is men het eens over de ongeveer gelijktijdigheid, zo rond het jaar 1910. In de beeldhouwkunst is dat minder duidelijk: Constantin Brâncuși, Naum Gabo, constructivisten, futuristen, kubisten, dadaïsten, Jean Arp, Georges Vantongerloo, Bauhaus, … of een generatie later: Henry Moore, Barbara Hepworth, Jorge Oteiza, Isamu Noguchi, David Smith, het minimalisme, …
We zouden hier een rijtje Belgische beeldhouwers kunnen aan toevoegen waarin Oscar Jespers en Jan Dries zeker van de partij moeten zijn.
Kortom, de vormontwikkeling in de geschiedenis van moderne beeldhouwkunst is een niet eenduidig en moeizaam proces. Dat is duidelijker in de schilderkunst (1). Verf is verleidelijk vloeibaar. Steen is monumentaal weerbarstig en brons behoeft de grenzen van een mal. Zet maar eens de vrijheid van Jackson Pollock om in een sculptuur. Misschien wist Alberto Giacometti dit sculpturaal te evenaren. In deze harde materialen moet ‘vrijheid’ anders ingevuld worden.
‘Abstractie’ is allicht de belangrijkste term van kunst uit de 20steeeuw. Het was de vernieuwing rond de jaren ’10, uiteraard ontaard in de jaren ’30-’40 door de ogen van zowel de Duitse NSDAP als van Russische communisten wegens een per definitie afwezigheid van ideologische standpunten. Eens deze censuur opgeheven, verscheen na WOII de abstractie als symbool voor bevrijding. Artistiek hield het een beweging in om zich te verlossen van het expressionisme dat in academisme dreigde te vervallen. Men zocht naar nieuwe kansen tot experiment. Toen deze verloochening van het kenbare een honger opwekte naar het alledaagse leven (popart), ontstond er een derde golf van abstracten in de jaren ’60 als formeel antwoord op de conceptuele kunst. Dit minimalisme stelde dat minder meer is. Het modernisme had zijn extremen bereikt aan de grens van puritanisme. Filosofen zagen ondertussen in dat zuiverheid gevaarlijk is. Geen maagdelijkheid maar een ‘uitzuivering’, een drastisch uitsluitende manier om zijn gelijk te halen. De postmodernen stelden een speelse oplossing voor: ook vrijheid mag geen moeten worden.
Het is in deze geest dat we Lieven Debrabandere kunnen situeren.
Vergeten we vooralsnog niet dat modernisten wisten dat geometrische abstractie een mensenzaak is, of zoals Naum Gabo de ‘hoeksteen’ van zijn programma omschreef:
“(The Constructive idea) has revealed an universal law that the elements of a visual art such as lines, colours, shapes, possess their own forces of expression independent of any association with the external aspects of the world (and) that their life and their action are selfconditioned psychological phenomena rooted in human nature.”
Een dergelijk humanisme beheerst het beeldhouwen van Lieven Debrabandere. Wie denkt bij een koele steenkapper te vertoeven, heeft het mis. Lieven wil het leven uitbeelden. Niet door het te kopiëren en werkelijker te zijn dan de werkelijkheid, maar door spanning op te zoeken: het avontuur tussen zijn innerlijke wereld en weerspannigheid van steen geworden natuur. Lieven verwijst in dit verband graag naar het concept ‘L’ élan vital’ van Henri Bergson (1859-1941), zowat de belangrijkste Franse vooroorlogse filosoof. Het betreft een handelingsdrang die meer is dan het uitvoeren van een ambachtelijk tuig-zijn. Let wel! Dit is geen banalisering van de creativiteit, want het zijn de woorden van Martin Heidegger: “das Zeug sein des Handwerkers.” Bij deze Duitse filosoof zijn we aan het goede adres om de attitude van Lieven te verwoorden. Dat tuig-zijn, bestaande uit de beeldhouwer met zijn instrumentarium, wordt een handelen dat het ‘er-zijn’ (Dasein) verwezenlijkt als een samen met anderen ‘in-de-wereld-zijn’, de kijkers. Toeschouwers die meer doen dan toezien, maar het werk ook verinnerlijken naar hun eigen ‘er-zijn’.
Filosofen kunnen het mooi zeggen, maar dat is buiten de steen gerekend. Zijn kenmerken lieten het woord ‘lapidair’ ontstaan met als figuurlijke betekenis ‘kort en bondig’. Laat een steen wel zo’n ‘élan vital’ toe? In tegenstelling tot verf leent steen zich niet tot frivole uitweidingen van subjectief expressieve aard. Is steen dan onverbiddelijk? Het oeuvre van Lieven Debrabandere kan worden bekeken als een proefondervindelijke wijze om dit te negeren. Lieven zoekt wat de steen hem te bieden heeft. Daardoor houdt het marmer op een domme blok te zijn. Lieven Debrabandere brengt interferenties aan tussen volume en omgeving, tussen massa en open lichtheid. Daardoor vindt ook de steen zijn plek ‘in-de-wereld’ en betekent hij de zingevende horizon van maker en kijker. Als schepper kijkt hij erop toe dat de toeschouwer het werk verder afmaakt door het gevoel en het beschouwen. Het is de blik die linken met ruimte moet leggen, waartoe de kunstenaar richtlijnen in taille directe aangebracht heeft. Deze ‘horizonversmelting’, zoals fenomenologen dat zo mooi omschrijven, maakt het beeld levendig. De gewichtige massa noopt zowel sculpteur als omstaander tot dansen. De eerste omdat hij twijfelend zoekt naar het opsplitsen van wat monument-object in de steen moet worden én wat scherf, of gruis. De toeschouwer die van zijn kijkintensiteit een spel maakt waarin een sculptuur gekoppeld aan licht en een ruimtelijke ervaring ontstaat vanuit zijn lijfelijkheid, zoals Merleau-Ponty zou zeggen.
Lieven Debrabandere heeft, wat het artistieke aspect betreft, voor abstractie gekozen om dit proces te structureren. Bevrijd van fundamentalisme dat in het modernistische dogmatisme is geslopen, beschikt hij over vrijheid om binnen de niet-figuratieve kunst zijn handelen te wikken en te wegen tussen de rechtlijnigheid van geometrie, die richting gevend aan ruimte en emotionele impulsen die zijn levenslijn zin verschaffen via een lyrische expressie.
Vanaf de jaren ’80 bezorgde het postmodernisme hiertoe een vrijgeleide. Geen uitsluiting maar een aanvulling is het motto om met polariteiten om te gaan: emotioneel-rationeel, figuratief-abstract, bol-hol, statisch-dynamisch, ruw-zacht, … Of zoals ik al zei: de polarisering al dansend verschalken. Op deze wijze realiseert Lieven Debrabandere het humanistische devies: ‘Word wie je bent!’ van de dichter Pindaros, in de filosofie opgenomen door Nietzsche, waarbij de existentie aan de essentie voorafgaat, zoals Sartre ons op het hart drukt. De generatie van Lieven, die gestopt is naar de clerus te luisteren, heeft in het existentialisme soelaas gevonden. Niet schreeuwerig, zoals we bij Ossip Zadkine zien, maar zoals rotsen in de branding.
Em. prof. dr. Willem Elias
(1) Men heeft in de schilderkunst deze beweging, waarbij de geometrie niet meer zo strikt te nemen viel, ’neo-geo’ genoemd, zie hiervoor de rubriek: “Het neoconstructivisme als derde generatie geometrisch abstracte kunst en de neo-geo.”, op mijn website: https://www.willemelias.be.

impressie over steensoorten door
MATHIEU HENDRICKX.
Een film van Pol Gheylen in 4 delen over hoe Lieven een beeld ontwerpt en maakt.
Deel 1: de start.
Deel 2: keuze
Deel 3: destructie
Deel 4: concept
Copyright © Alle rechten voorbehouden